
De hoofdpunten die volgen uit het onderzoek van de Zuidelijke Rekenkamer zijn:
1. De provincie bevindt zich nog in de beginfase van de circulaire transitie. De opgave blijkt complex en hangt af van veel factoren zoals productie, consumptie, regelgeving en marktwerking. Het ontbreken van betrouwbare data beperkt de mogelijkheid om voortgang te meten. Voor de omgang met deze onzekerheden is een leerproces nodig. Dit leerproces gaat over inzichten in de complexiteit van de circulaire transitie en hoe daarin te interveniëren. De rekenkamer vindt dat GS explicietere afspraken met PS kunnen maken over de inrichting van dit leerproces.
2. Voor effectieve sturing is meer inzicht nodig in de positionering van circulariteit binnen de bredere maatschappelijke opgaven zoals bijvoorbeeld klimaat, milieu, innovatie en leveringszekerheid. De provincie kan explicieter maken hoe de inzet op circulaire economie daaraan bijdraagt, welke prioriteiten en afwegingen daarbij zijn en worden gemaakt, en hoe dit richting geeft aan haar sturing.
3. De provincie levert een actieve bijdrage, maar kan haar rol verder versterken. De huidige inzet via programma’s, financiering en netwerkvorming sluit aan bij haar mogelijkheden, maar de onderlinge samenhang van die inzet is maar beperkt duidelijk. Verbetering is verder mogelijk in de koppeling met VTH- en ruimtelijk beleid en in het borgen van circulariteit binnen de eigen organisatie, met name op inkoop.
Voor meer informatie over het onderzoek en de uitkomsten daarvan, zie onderstaande stukken:
